Gepubliceerd op:

Na een eerder onderzoek in 2017 evalueerde RIGO begin dit jaar opnieuw het kamerbewoningsbeleid in de gemeente Den Haag. Met CBS-microdata lieten we zien hoe kamerbewoning in verschillende vormen zich heeft ontwikkeld in de afgelopen jaren. Daarnaast onderzochten we de relatie met leefbaarheid. Ook uit dit onderzoek blijkt dat omwonenden rondom verkamerde woningen relatief veel overlast melden. Bij veel inwoners van Den Haag (en andere steden) leeft daarom het gevoel dat kamerbewoning de leefbaarheid in de buurt aantast.

Toch is dat niet het hele verhaal. Door de cijfers over kamerbewoning en leefbaarheid van 2017 en 2019 met elkaar te vergelijken, lieten we zien dat het ook op macroniveau inderdaad zo was dat bewoners van buurten met het meeste kamerbewoning het minst tevreden waren met hun woonomgeving. Een toename van kamerbewoning bleek echter niet te leiden tot een verslechtering van de leefbaarheid; het verband bleek veeleer omgekeerd, met in de minst populaire wijken de grootste toename van het aantal kamerbewoners. Het feit dat in weinig aantrekkelijke wijken, waar woningzoekenden de huur van een zelfstandige woning al snel te hoog vinden, kamerverhuur financieel al snel aantrekkelijk is kan hiervoor een verklaring zijn.

Voor het gemeentelijk beleid voor kamerbewoning biedt dit nieuwe aanknopingspunten. Als kamerbewoning evenzeer gevolg als mogelijke oorzaak is van ervaren overlast en leefbaarheidsproblemen, dan moet een oplossing zich niet blindstaren op de directe bestrijding van overlast en handhaving op kamerbewoning, maar dient zo’n oplossing ingebed te zijn in breder beleid om de leefbaarheidsontwikkeling van deze buurten ten goede om te buigen. Waar geen aantrekkelijk woonperspectief voor zelfstandige huishoudens geboden wordt, zal verkameren al snel een lucratieve optie zijn.