Corporaties in de regio Utrecht maken zich in toenemende mate zorgen over het functioneren van de op regionaal niveau (woningmarktregio U16) georganiseerde woonruimteverdeling. Het gaat hierbij niet zozeer over de technische uitvoering van de woonruimteverdeling (via WoningNet), maar over de (soms ongewenste) volkshuisvestelijke effecten. Voorbeelden daarvan zijn bijvoorbeeld het beperkte aanbod voor gezinnen (vooral in de stad), de lage slaagkansen van jonge woningzoekenden en discussies over doorschuiven/buurtvoorrang en verdringing als gevolg van niet-reguliere verhuringen.

De vraag

Deze zorgen hebben ertoe geleid dat de samenwerkende corporaties (verenigd in RWU, SWRU en STUW) een traject willen starten waarbij de doelen (het ‘waarom’) en de instrumenten (het ‘hoe’) van de regionale woonruimteverdeling tegen het licht worden gehouden. Waar willen we in de regio wel/niet op sturen? En met welke instrumenten (volgordebepalingen, voorrangscriteria, passendheidscriteria, etc.) zou dit kunnen worden ingevuld? En hoe verhoudt dat plaatje zich tot de huidige opzet van het systeem?