De motie ‘elke statushouder een Amsterdamse buurman’ uit 2016 veronderstelt dat menging bijdraagt aan de integratie. Hoe werkt dit in de praktijk? RIGO analyseerde voor de gemeente Amsterdam wat het betekende voor statushouders om voor een bepaalde tijd zelfstandig te wonen in eenvoudige woningen met andere jongeren en met aandacht voor sociaal beheer, participatie en zorgvragen.

In het begin ging het om grootschalige projecten op afgelegen, niet altijd even goed ontsloten terreinen aan de randen van de stad. Latere projecten werden kleinschaliger en meer verbonden met de buurt. De projecten werden primair als tijdelijke oplossing gezien voor de vraag van jongeren naar snel beschikbare en betaalbare woonruimte. Menging van groepen jongeren zou tevens kunnen bijdrage aan de integratie.

Integratie gaat niet vanzelf

We vonden, op basis van literatuuronderzoek en interviews, dat zelfstandigheid een voorwaarde is voor het leggen van contacten. Eigen woonruimte en privacy versterken het gevoel van veiligheid en bieden een startpunt om de periode als vluchteling af te sluiten. Om dat proces te voltooien, is het wel van belang dat men niet te lang wacht het project te verlaten, anders kan het toch leiden tot een sociaal isolement. Menging van groepen alleen blijkt onvoldoende om zinvolle contacten tot stand te brengen. Daar is actieve begeleiding bij nodig richting zorg of hulp bij het begrijpen van de maatschappij. Ook bleek dat het hele concept van de gemengde woonvorm (en dan vooral de professionele begeleiding) niet zo zeer helpt om versneld te integreren maar wel om afglijden en helemaal niet integreren te voorkomen.