De wetswijziging heeft niet geleid tot het op grote schaal schrappen van de vergunninghouders als urgentiecategorie uit de huisvestingsverordening. Op dit moment worden in 99% van de gemeenten met een urgentieregeling vergunninghouders aangemerkt als urgentiecategorie in de urgentieregeling.

Tot 1 juli 2017 waren gemeenten die een urgentieregeling hadden opgenomen in de huisvestingsverordening wettelijk verplicht om vergunninghouders – net als mantelzorgers en uitstromers uit tijdelijke opvang – als urgentiecategorie op te nemen in de urgentieregeling. Met het in werking treden van de ‘Wet tot wijziging van de Huisvestingswet inzake de huisvesting van vergunninghouders ’ is hieraan een einde gekomen. De gemeenteraad heeft echter nog steeds de mogelijkheid om vergunninghouders als urgentiecategorie in de huisvestingsverordening te benoemen.

Urgentieregelingen

Van de 380 Nederlandse gemeenten hebben 187 gemeenten een huisvestingsverordening vastgesteld. Van deze gemeenten maakt het merendeel (176) van de mogelijkheid gebruik om een urgentieregeling op te nemen in de huisvestingsverordening. De wettelijk verplichte urgentiecategorieën (mensen die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang vanwege relationele problemen en mantelzorgers- en ontvangers), maken hier deel van uit. Andere urgentiecategorieën die in de meeste urgentieregelingen worden onderscheiden zijn stadsvernieuwingsurgentie (86%), medische urgentie (84%), sociale urgentie (79%), noodsituaties (70%) en financiële noodzaak (65%). In ongeveer de helft van de urgentieregelingen (46%) krijgen uitstromers uit instellingen (veelal psychische en maatschappelijke instellingen) een urgentie.